Een sprookje is van oorsprong een mondeling overgeleverd volksverhaal waarin magie vaak een belangrijke rol speelt en waarin een beroep wordt gedaan op de fantasie van de lezer of luisteraar. Meestal begint het met de bekende woorden: 'Er was eens…' Het speelt zich af op een onbepaalde plaats, in een onbepaald verleden, waardoor een tijdloze, mysterieuze sfeer ontstaat.
Sprookjes zijn van alle tijden. Nog altijd worden er nieuwe sprookjes geboren.
In een kinderbrein is de fantasie nog volop aanwezig. Wanneer kinderen zich veilig voelen, delen zij hun fantasieën vaak spontaan. In onveilige omstandigheden kunnen sprookjes een veilige toevlucht bieden, zonder dat de buitenwereld begrijpt wat er werkelijk in het kind omgaat.
Zo kan de prins op het witte paard iemand worden naar wie een meisje vol verlangen uitkijkt: een bijzondere man die haar uit haar benauwenis bevrijdt. Voor een jongen kan de verslindende draak juist het symbool worden van alles wat hem dreigt te verzwelgen, zodat hij innerlijk leert vechten om niet verslonden te worden.
De magische wereld van sprookjes herkennen we tegenwoordig ook in computerspellen en tekenfilms. En niet alleen kinderen raken geboeid door die wereld van magie en fantasie. Zij roept ook bij volwassenen iets wakker: een diepere laag van onze binnenwereld, die ons terugbrengt naar de belevingswereld van onze jeugd, toen alles nog vanzelfsprekend en herkenbaar leek.
Wanneer ik samen met cliënten hun levensverhaal onderzoek, vraag ik vaak naar hun favoriete sprookje, verhaaltje of kinderfilm. Opvallend is hoe we, zelfs op hoge leeftijd, de invloed van dat verhaal kunnen terugvinden in de levensweg en het verlangen van de betreffende cliënt.
Mijn eigen favoriete sprookje is nog altijd Het meisje met de zwavelstokjes. Het verhaal van het meisje dat pas naar huis mocht als zij al haar zwavelstokjes had verkocht. Om zichzelf nog even wat licht en warmte te schenken, stak zij uiteindelijk de laatste zwavelstokjes aan.
Toen ik ooit vertelde dat dit mijn favoriete sprookje was, reageerde iemand vol afgrijzen: "Maar dat meisje vriest dood in de kerstnacht."
Dat is waar. Maar juist in haar sterven wordt zij opgehaald door haar lieve grootmoeder, die haar uit de hemel tegemoetkomt en haar bevrijdt uit haar ellendige bestaan.
Als kind gaf juist dát mij hoop. Ik had mijn eigen oma nooit gekend en hoopte dat zij die liefdevolle grootmoeder in de hemel was. Ik bad haar om mij te komen halen. De gedachte dat dit mogelijk was, hield mij op de been. Soms droomde ik zelfs dat ik veilig in haar armen naar de hemel vloog.
Pas veel later ontdekte ik hoeveel draagkracht dit sprookje mij had gegeven.
Dat besefte ik opnieuw toen mijn trainer en docent bij Phoenix Opleidingen in Utrecht, Joke Goudswaard, na het lezen van mijn boek het volgende gedicht naar mij stuurde.