Begin van de partij
Rond het begin van een partij bestaan nogal wat misverstanden. Zo is niet bij iedereen bekend op welk moment een partij nou eigenlijk begint. Of wat de correcte manier is om een partij te beginnen.
Vroeger begon een partij op het moment dat de arbiter de spelers uitnodigde voor het doen van de 'keuzetrekstoot'. Zo ging het tenminste bij PK-wedstrijden. Bij competitiewedstrijden werd toen het systeem met de 'keuzetrekstoot' nog niet toegepast. Heel lang is bij competitiewedstrijden de regel geweest dat de 'uitspeler' moest beginnen. Bij een indeling waarbij je tegen elke tegenstander een keer uit- en thuis speelt, heeft dan elke speler een keer de beginnende en de gelijk makende beurt.
Op een gegeven moment hebben de reglementenmakers er voor gekozen om de beginprocedure voor alle wedstrijden gelijk te maken. In het Spel en Arbitrage Reglement (SAR) staat het in art. 5201: de partij begint op het moment dat de arbiter de spelers voor het 'tossen' heeft uitgenodigd.
Tossen
Tossen wil zeggen dat de arbiter een muntstuk of een ander klein voorwerp in een hand verbergt en één van de spelers een hand laat kiezen. De speler die de hand met het voorwerp heeft gekozen, bepaalt wie begint met inspelen. Dat inspelen mag per speler vijf minuten duren.
De keuzetrekstoot
Nadat beide spelers hun inspeelbeurt hebben gehad, worden de ballen in positie geplaatst voor de 'keuzetrekstoot'. Daartoe plaatst de arbiter de rode bal op het bovenacquit en de beide andere ballen op de afstootlijn, ongeveer halverwege tussen de buitenste acquits en de band. Nu moeten beide spelers de bal gelijktijdig en rechtstreeks naar de bovenband stoten. Gelijktijdig is in dit geval natuurlijk een beetje een rekbaar begrip. Er wordt mee bedoeld dat beiden moeten hebben afgestoten voordat één van de ballen de bovenband raakt.
Rechtstreeks naar de bovenband wil zeggen dat vóór de bovenband geen andere band mag worden geraakt. De bovenband mag bovendien maar één keer worden geraakt. De speler, wiens bal vervolgens het dichtst bij de benedenband tot stilstand komt, ongeacht of die benedenband geraakt is of niet, mag bepalen wie de beginstoot krijgt.
Bij het uitvoeren van de 'keuzetrekstoot' gelden er een paar beperkingen. Vóór de bovenband mag dus geen andere band worden geraakt. Op de terugweg mag dat wel. Maar de bal mag geen andere bal raken. Als één van de spelers bij het uitvoeren van de 'keuzetrekstoot' een fout maakt, krijgt de ander de keuze wie begint en wie de gelijk makende beurt krijgt.
Lang niet iedereen is goed op de hoogte van wat wel en wat niet mag bij de keuzetrekstoot-procedure. Zo claimde onlangs bij een kaderwedstrijd één van de spelers het 'keuzerecht', omdat hij er stellig van overtuigd was dat zijn tegenstander, wiens bal op de terugweg van de bovenband een zijband geraakt had, de keuzetrekstoot daardoor verloren had. Hij trof het niet. De arbiter was toevallig een hooggekwalificeerd arbiter en instructeur, die hem haarfijn uit de doeken deed dat zijn kennis aan opfrissing toe was.
BRON: Biljarttotaal